🇩🇪 de nl 🇳🇱
vor preposition
/foːɐ̯/
|
|
|---|---|
|
voor |
- vor allem
- vooral, voornamelijk, met name
- vor Ort
- ter plaatse, ter plekke
- man soll den Tag nicht vor dem Abend loben
- de huid niet verkopen voor de beer geschoten is
- vor kurzem
- recentelijk
- vor sich hin
- daarvoor
- etwas kommt jemandem spanisch vor
- dat is Chinees voor mij
- die Ruhe vor dem Sturm
- de stilte voor de storm
- Perlen vor die Säue werfen
- paarlen voor de zwijnen gooien, parels voor de zwijnen strooien, rosen voor de verken strooien
- kein Blatt vor den Mund nehmen
- geen blad voor de mond nemen