Nederlands Deutsch
vork
  • 2. voorwerp bestaande uit een greep en (meestal 3 of 4) tanden, waarmee vast voedsel wordt gegeten
die Gabel (Pl.: die Gabeln) {f} ˈɡaːbl̩
vork
  • 5. (schaak) situatie waarbij één eigen stuk tegelijkertijd twee of meer vijandelijke stukken aanvalt)
die Gabel (Pl.: die Gabeln) {f} ˈɡaːbl̩
die Springergabel (Pl.: die Springergabeln) {f} ˈʃpʁɪŋɐˌɡaːbl̩
vork
  • 3. bepaald landbouwwerktuig (vergelijk met hooivork, mestvork)
die Forke (Pl.: die Forken) {f} ˈfɔʁkə
die Gabel (Pl.: die Gabeln) {f} ˈɡaːbl̩
vork
  • 1. aftakking van een boomtak of van een weg
Astgabel
die Gabel (Pl.: die Gabeln) {f} ˈɡaːbl̩
vork
  • 4. fietsonderdeel waarin het wiel wordt bevestigd: telescopische vork, voorvork en achtervork)
Fahrradgabel
die Gabel (Pl.: die Gabeln) {f} ˈɡaːbl̩
hoe de vork in de steel zit was die Glocke geschlagen hat vas diː ˈɡlɔkə ɡəˈʃlaːɡn̩ hat
Wiktionary Links