🇩🇪 de nl 🇳🇱
werfen verb
werfe, warf, habe geworfen
/ˈvɛʁfn̩/
|
|
|---|---|
|
werpen |
- das Handtuch werfen
- de handdoek in de ring werpen, de handdoek in de ring gooien
- die Flinte ins Korn werfen
- de handdoek in de ring werpen
- Perlen vor die Säue werfen
- paarlen voor de zwijnen gooien, parels voor de zwijnen strooien, rosen voor de verken strooien
- sich in die Brust werfen
- zich op de borst kloppen
- sich in Schale werfen
- zich hebben opgedoft
- jemanden ins kalte Wasser werfen
- iemand in het diepe gooien
- mit etwas nur so um sich werfen
- met iets smijten
- Nebelkerzen werfen
- een rookgordijn opwerpen
- wer im Glashaus sitzt, soll nicht mit Steinen werfen
- de pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet