Nederlands Deutsch
zaterdag /ˈzatərˌdɑx/
  • 1. een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
der Samstag (Pl.: die Samstage) {m} ˈzamstaːk
der Sonnabend (Pl.: die Sonnabende) {m} ˈzɔnˌʔaːbn̩t, ˈzɔnˌʔaːbm̩t
Stille Zaterdag Karsamstag
zaterdag rond het middaguur der Samstagmittag (Pl.: die Samstagmittage) {m} ˈzamstaːkˌmɪtaːk
Wiktionary Links