Nederlands English
één /eːn/
  • 1. de inhoud van de kleinste niet-lege verzameling
one
een one /wan/, /wʌn/, /oʊn/, /wɒn/
a /eɪ/, /æɪ/, /æ/
an
een-tweetje /enˈtwetʲə/
  • 1.
one-two
een-twee-drie
  • 1. in vlotte stappen achter elkaar uitgevoerd
one-two-three
in een handomdraai
  • 1. snel doordat het weinig moeite kost, vlot alsof het gemakkelijk is
in no time
een of ander some /sɐm/, /sʌm/
een groentje green /ɡɹiːn/, /ɡɹin/
een zet doen move /muːv/
een zijn met flow /fləʊ/, /floʊ/
een tegelijk one at a time
een voor een one at a time
een hele tijd while /ʍaɪl/, /waɪl/
een tip geven clue /kljuː/, /kluː/
een ruk geven yank /jæŋk/
met een abces abscessed
nog een another /ænˈʌ.ðə(ɹ)/, /ænˈʌ.ðɚ/, /ənˈʌ.ðə(ɹ)/, /ənˈʌ.ðɚ/
één uur o'clock /əˈklɑk/, /əˈklɒk/
een paar some /sɐm/, /sʌm/
een deel some /sɐm/, /sʌm/
een keer once /wʌn(t)s/
niet een none /nʌn/
op een na second /ˈsɛk.(ə)nd/, /ˈsɛkɪnd/, /ˈsɛkənd/
een zeker some /sɐm/, /sʌm/
één april April Fools' Day
een beetje little /ˈlɘtl̩/, /ˈlɪ.ɾɫ̩/, /ˈlɪtl̩/, /ˈlɪtəl/
een aantal some /sɐm/, /sʌm/
een zekere one /wan/, /wʌn/, /oʊn/, /wɒn/
een andere another /ænˈʌ.ðə(ɹ)/, /ænˈʌ.ðɚ/, /ənˈʌ.ðə(ɹ)/, /ənˈʌ.ðɚ/
om één uur o'clock /əˈklɑk/, /əˈklɒk/
op een dag someday
op een kier ajar /əˈd͡ʒɑɹ/, /əˈd͡ʒɑː/
een blauwtje lopen
  • 1. worden afgewezen door iemand die je amoureus benaderd hebt
to get the brush-off
een blauwtje lopen
  • een blauwtje laten lopen (afwijzen, weigeren een verzoek in te willigen)
to turn somebody down
met een hogere rang above /əˈbʌv/
een appel en een ei song /sɒŋ/, /sɔŋ/
een uitkomst hebben turn out
een nacht doorhalen pull an all-nighter
een miskraam hebben miscarry /ˌmɪsˈkæɹi/
slapen als een blok sleep like a log
fit als een hoentje fit as a fiddle /ˈfɪt æz ə ˈfɪdl̩/
een vijs kwijt zijn have a screw loose
lopen als een trein go like a dream
een richting op gaan head /hɛd/
tot een kubus vormen cube /kjuːb/, /kjub/
een rode kaart geven dismiss /dɪsˈmɪs/, /dɪzˈmɪs/
op een haar na just /d͡ʒʌst/
een fout maken mistake /mɪˈsteɪk/
een foto nemen photograph /ˈfəʊ.tə.ˌɡɹɑːf/, /ˈfoʊ.tə.ˌɡɹæf/
een eeuwigheid forever /fəˈɹɛvə(ɹ)/, /fəˈɹɛvɚ/
een dutje doen nap /næp/, /nap/
een wind laten break wind
in een oogwenk in the blink of an eye
een club vormen club /klʌb/
een lijst maken list /lɪst/
een solo spelen solo /ˈsoʊ.loʊ/, /ˈsəʊ.ləʊ/
met een kopwind aback /əˈbæk/
in een notendop in a nutshell
vlug een beetje chop-chop
een haan lubben caponize
een lans breken break a lance
een trapje hoger above /əˈbʌv/
een douche nemen shower /ˈʃaʊ.ɚ/, /ˈʃaʊ.ə(ɹ)/
vlug een beetje! come on /ˈkʌm ˌɔːn/, /ˈkʌm ˌɔn/
een eed afleggen swear /swɛə/, /swɛɚ/
een bok schieten blunder /ˈblʌn.də(ɹ)/, /ˈblʌn.dɚ/
een flater slaan blunder /ˈblʌn.də(ɹ)/, /ˈblʌn.dɚ/
een vlucht nemen take off
een veroordeelde con /kɒn/, /kɑn/
een groot aantal myriad /ˈmɪɹi.æd/
ik heb een vraag I have a question
een abces vormen abscess /ˈæbsɛs/
een scheet laten break wind
ik zoek een baan I'm looking for a job
een plezier doen oblige /əˈblaɪdʒ/
sluw als een vos sly as a fox
een figuur slaan egg on one's face
een buiging maken bow /bəʊ/, /boʊ/
met een vork eten fork /fɔɹk/, /fɔːk/
een fopduik maken dive /ˈdaɪv/, /ˈdiːveɪ/
een betoog houden discourse /ˈdɪskoəs/, /dɪsˈkɔː(ɹ)s/, /ˈdɪskɔː(ɹ)s/, /ˈdɪsko(ː)ɹs/
een ei bevruchten hatch /hætʃ/
op een ei broeden hatch /hætʃ/
een voorzet geven assist /əˈsɪst/
bel een ambulance call an ambulance
wat een mooie dag what a lovely day
een uitstap maken jaunt /ˈdʒɑːnt/, /ˈdʒɔːnt/
klopt als een bus right as rain
een stortbad nemen shower /ˈʃaʊ.ɚ/, /ˈʃaʊ.ə(ɹ)/
een schwalbe maken dive /ˈdaɪv/, /ˈdiːveɪ/
een schip optuigen rig /ɹɪɡ/
een glimp opvangen glimpse /ɡlɪmps/
een kopstoot geven headbutt /ˈhɛdbʌt/
een uiltje knappen kip /kɪp/
de een na de ander one after another
eén en al oor zijn be all ears
een bezoek brengen pay a visit
een verhulde zegen blessing in disguise
trots als een pauw proud as a peacock /pɹaʊd əz ə ˈpiːkɒk/
een toeval krijgen have kittens
een stap voor zijn get a leg up
Wiktionary Links