afspelen – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

afspelen verb

  • 1. afdraaien
play
  • 2. tot het einde toe spelen
finish
  • 4. zich ~: gebeuren
happen, take place
  • 3. iets door veelvuldig bespelen bederven en onbruikbaar maken
wear out
Wiktionary Links