agenda – English–Nederlands translations

🇬🇧 en nl 🇳🇱

agenda noun

  /əˈd͡ʒɛn.də/ , /əˈd͡ʒɪn.də/ , [əˈd͡ʒɛn.də] , [əˈd͡ʒɪ̟n.də]
  • list of matters to be taken up
agenda, programma
agenda, plan, programma, schema

🇳🇱 nl en 🇬🇧

agenda noun

  /a.ˈɣɛn.da/ , /a.ˈχɛn.da/
  • 2. een lijst van te bespreken punten op een vergadering
agenda, order of business
  • 1. een notitieboek waarin afspraken genoteerd worden
diary
Wiktionary Links