charme – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

charme noun

  /sjarme/
  • 1. de eigenschappen van iemand waardoor die persoon aardig, leuk en vriendelijk wordt gevonden
charm

🇬🇧 en nl 🇳🇱

charm noun

  /tʃɑːm/ , /t͡ʃɑɹm/
charme
  • a small trinket on a bracelet or chain
bedeltje
  • something with magic power
ban, betovering, bezwering

charming adjective

  /ˈtʃɑː(ɹ).mɪŋ/
  • pleasant, charismatic
charmant

charm verb

  /tʃɑːm/ , /t͡ʃɑɹm/
  • use a magical charm
beheksen, betoveren, bezweren
  • seduce, entrance or fascinate
betoveren, bezweren
Wiktionary Links