enkel – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

enkel noun

  • 1. gewricht dat de voet met het been verbindt
ankle, ancle
  • 2. enkelspel
single

enkel adjective

  • 1. niet dubbel, bijvoorbeeld enkel spoor, enkele reis
single

enkel indefinitePronoun

  • 1. weinig, een paar
some, a few

enkel adverb

  • 1. niet dubbel
single
Wiktionary Links