flux – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

flux noun

  /flʏks/
  • 2.aantal krachtlijnen dat loodrecht door een oppervlakte-eenheid gaat
  • 1. stroom
flux
  • 3. soldeervloeimiddel flux
rosin flux

🇬🇧 en nl 🇳🇱

flux noun

  /flʌks/
  • chemical agent for cleaning metal prior to soldering or welding
flux, vloeimiddel
  • state of ongoing change
voortdurende wijziging
Wiktionary Links