from – English–Nederlands translations
🇬🇧 en nl 🇳🇱
from preposition
/ˈfɹɒm/
,
/ˈfɹɔm/
,
/ˈfɹəm/
,
/ˈfɹʌm/
,
[ˈfɹʷm̩]
,
[ˈfɹʷɒm]
,
[ˈfɹʷɔm]
,
[ˈfɹʷəm]
,
[ˈfɹʷʌm]
,
/~/
|
|
|---|---|
|
van, uit |
|
van, tegen |
|
uit, van |
- apart from
- behalve, afgezien van
- from now on
- voortaan, van nu af aan
- from time to time
- van tijd tot tijd
- suffer from
- aannemen
- from scratch
- helemaal opnieuw, vanaf het begin, vanaf nul
- where are you from
- waar kom je vandaan?, waar komt u vandaan?
- from A to Z
- van A tot Z
- from the start
- van meet af aan
- from the bottom of one's heart
- van harte, uit de grond van zijn hart
🇳🇱 nl en 🇬🇧
from adjective |
|
|---|---|
|
frum |