haar – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

haar noun

  • 1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
hair

haar possessivePronoun

  • 1. bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
her

haar personalPronoun

  • 2. datief van zij, derde persoon enkelvoud
  • 1. accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
her
Wiktionary Links