haven – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

haven noun

  /ɦavə(n)/
  • 1. natuurlijke of aangelegde aanlegplaats voor schepen.
port, harbour, harbor

🇬🇧 en nl 🇳🇱

haven noun

  /ˈheɪvən/
  • harbour
haven
  • refuge
toevluchtsoord, vrijhaven
Wiktionary Links