lens – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

lens adjective

  • leeg
empty, void

lens noun

  • 1. een geslepen stuk transparant materiaal dat lichtstralen breekt
  • 2. een stelsel van lenzen of lensdelen dat op een camera zit zodat er een scherp beeld op de film of CCD wordt geprojecteerd
lens
  • 3. een zeer kleine glazen of kunststof lens die men direct op de oogbol plaatst ter vervanging van een bril
lens, contactlens

🇬🇧 en nl 🇳🇱

lens noun

  /lɛnz/
  • object focusing or defocusing the light passing through it
  • device which focuses or defocuses electron beams
  • geometry: convex shape bounded by two circular arcs
lens
  • anatomy: transparent crystalline structure in the eye
lens, kristallens
  • biology: genus of the legume family; its bean
linze

lens verb

  /lɛnz/
  • to film
filmen, op de gevoelige plaat vastleggen, verfilmen
Wiktionary Links