lid – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

lid noun

  • 1. iemand die behoort tot een groep, organisatie of sekte
member
  • 5. deel van het lichaam
member, part
  • 4. ooglid
eyelid, lid
  • 7. deel van de stengel dat zich tussen de twee knopen bevindt
internode, section
  • 9. deksel
lid
  • 8. deel van een samengesteld woord
morpheme
  • 6. deel van een insect
part, segment

🇬🇧 en nl 🇳🇱

lid noun

  /lɛd/ , /lɪd/
  • top or cover
deksel
Wiktionary Links
  • English: lid
  • Nederlands: lid