spits – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

spits noun

  • 1. grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
rush hour, peak hour
  • 4. scherp, puntig uiteinde
point, peak, summit, tip
  • 3. klein vrachtschip, binnenschip (ook wel gebruikt als woonboot)
barge
  • 2. binnen een ploeg een aanvallende speler die een positie opzoekt waarin hij een doelpunt kan maken
striker
  • 5. type hond met een spitse snuit
spitz

spits adjective

  • 1. in een punt uitkomend
pointed, spiked
  • 2. scherpzinnig
astute, shrewd

🇬🇧 en nl 🇳🇱

spit noun

  /spɪt/
  • saliva
speeksel, spuug, spuwsel

spit noun

  /spɪt/
spit

spit verb

  /spɪt/
  • to evacuate (saliva or another substance) from the mouth, etc.
spuwen, spugen

spitting

gespuug
Wiktionary Links