spook – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

spook noun

  • 1. een geestverschijning die een bepaald gebouw of bepaalde locatie onveilig maakt
ghost

🇬🇧 en nl 🇳🇱

spook noun

  /spuːk/ , /spʊk/
  • spy
spion, verspieder
  • ghost or phantom
geest, schijnsel, spook
  • hobgoblin
kabouter
  • pejorative: black person
nikker
Wiktionary Links