spoor – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

spoor noun

  • 1. twee met elkaar verbonden ijzeren staven waarover een trein rijdt
track
  • 2. spore
spore, zarodnik
  • 9. metalen punt of getand wieltje aan de hiel van de rijlaars
  • 8. hol uitsteeksel aan de voet van een kelkblad, kroonblad of vergroeide kroon
spur
  • 3. afdruk
spoor, trop

🇬🇧 en nl 🇳🇱

spoor noun

  /spuːɹ/ , /spɔɹ/ , /spɔː/ , /spʉːɹ/ , /spʊə/ , /spʊɹ/
  • trail left by an animal
damp
Wiktionary Links