spread – English–Nederlands translations

🇬🇧 en nl 🇳🇱

spread verb

  /spɹɛd/
  • to smear, distribute in a thin layer
smeren, besmeren, bestrijken, uitsmeren
  • to disperse, scatter
verspreiden, uitstrooien, verbreiden
verspreiden, spreiden, strekken, stretchen, uitbreiden, uitspreiden
  • (intransitive) to take up a larger area, expand
verspreiden, vergroten, uitbreiden, verbreden, verwijden

spread noun

  /spɹɛd/
pasta
Wiktionary Links