stam – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

stam noun

  • 4. op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
tribe, ethnic group
  • 2. deel van de boom tussen de wortels en de kruin
trunk, tree-trunk
  • 7.
stem
  • 1. dikke houtige stengel van een struik
trunk
Wiktionary Links