tijd – English–Nederlands translations
🇳🇱 nl en 🇬🇧
tijd noun
/tɛit/
,
/tɛɪ̯d/
,
/tɛːt/
|
|
|---|---|
|
time, period |
- onvoltooid verleden tijd
- imperfect, pluperfect
- onvoltooid tegenwoordige tijd
- present tense
- tegenwoordige tijd
- present tense
- verleden tijd
- past tense
- voltooid verleden tijd
- past perfect, pluperfect
- voltooid tegenwoordige tijd
- present perfect
- toekomende tijd
- future
- vrije tijd
- free time, leisure
- van tijd tot tijd
- every so often
Wiktionary Links
- Nederlands: tijd