Nederlands English
tong
  • 1. beweeglijk lichaamsdeel in de mond van mensen en veel dieren
  • 2. wat gesproken wordt
tongue /tʊŋ/, /tɒŋɡ/, /tʌŋ/
tong
  • 4. platvis
sole /soʊl/, /səʊl/
rad van tong voluble /ˈvɒl.jʊ.bəl/, /ˈvɑl.jə.bəl/
geslepen tong gift of the gab
ben je je tong verloren? cat got someone's tongue
het hart op de tong hebben wear one's heart on one's sleeve
op het puntje van zijn tong on the tip of one's tongue
English Nederlands
tong /tɒŋ/
  • tool
tang /tɑŋ/
tongs /tɑŋz/, /tɒŋz/, /tɔŋz/
  • an instrument
tang /tɑŋ/
ice tong ijstang
fire-tongs vuurtang
sugar tongs suikertang
Wiktionary Links