trap – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

trap noun

  • 1. verbinding tussen twee op verschillende hoogte liggende vloeren of terreinen,...
staircase, stairway
  • 2. stoot met de voet
kick
  • 4. mate van ontwikkeling
degree

trap noun

  • 1. benaming voor vogels uit de familie Otididae
bustard

🇬🇧 en nl 🇳🇱

trap noun

  /tɹæp/ , [t̠ɹ̠̊˔ap] , [t̠ɹ̠̊˔äp] , [t̠ɹ̠̊˔æp] , [t̠ɹ̠̊˔ɛp]
  • device designed to catch or kill animals
  • trick or arrangement designed to catch someone in a more general sense
val
  • bend, sag, or other device in a waste-pipe to prevent the escape of noxious gases
waterslot, zwanenhals
val, trapladder
  • slang: mouth
klep
  • covering over a hole or opening; trapdoor
valdeur, valluik

trap verb

  /tɹæp/ , [t̠ɹ̠̊˔ap] , [t̠ɹ̠̊˔äp] , [t̠ɹ̠̊˔æp] , [t̠ɹ̠̊˔ɛp]
vangen

trappings noun

  • clothing which gives the appearance
kledij
  • ornamental coverings or harnesses for a horse
regering
Wiktionary Links