trots – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

trots noun

  • 2. het gevoel dat men wil pronken met wat men heeft of doet
pride
  • 1. denken dat men beter is dan anderen
pride, conceit, haughtiness

trots adjective

  • 1. erg blij met wat men (bereikt) heeft
proud
  • 2. vervuld van grootsheid
haughty, overbearing

trots preposition

  • 1. ondanks
despite

🇬🇧 en nl 🇳🇱

trot noun

  /tɹɑt/ , /tɹɒt/
  • gait of an animal between walk and canter
draf

trot verb

  /tɹɑt/ , /tɹɒt/
  • (of a horse) move at a gait between a walk and a canter
draven

trotting

geloop
Wiktionary Links