zij – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

zij personalPronoun

  /sɛɪ̯/ , /zɛɪ̯/ , /zɛː/
  • 2. 3e persoon meervoud
they
  • 1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
she

zij noun

  /sɛɪ̯/ , /zɛɪ̯/ , /zɛː/
  • 1. een van beide kanten van een lichaam
side
  • 2. stof
silk
Wiktionary Links
  • English: zij
  • Nederlands: zij