Nederlands English
zijn
  • 3. zich bevinden.
  • 5. gelijk zijn aan.
  • 6. tot de groep behoren van
  • 1. bestaan
be /bi/, /biː/
exist /ɪɡˈzɪst/
zijn
  • 8. + te: verplichting
  • 9. + te: mogelijkheid
be /bi/, /biː/
zijn
  • 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
  • 7. de eigenschap hebben.
have /hæv/, /həv/, /heɪv/, /hæf/
be /bi/, /biː/
zijn
  • 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
have /hæv/, /həv/, /heɪv/, /hæf/
been /bɛn/, /bɨn/, /bɪn/, /biːn/
be /bi/, /biː/
zijn
  • 1. derde persoon enkelvoud m/o
his
niet veel soeps zijn
  • 1. weinig voorstellen, niets bijzonders zijn, matige kwaliteit hebben
nothing special
de druiven zijn zuur
  • 1. wanneer iemand met verachting van datgene spreekt, wat hij graag zou willen hebben, maar niet kan krijgen
the grapes are sour
er zijn there are
weg zijn on one's way
over zijn leave /liv/, /liːv/
bang zijn dread /dɹɛd/
stuk zijn malfunction /ˌmælˈfʌŋk.ʃən/
Wilt zijn wannabe
eraan zijn do /du/, /dʉː/, /duː/, /d͡ʒ/
kapot zijn do /du/, /dʉː/, /duː/, /d͡ʒ/
klaar zijn do /du/, /dʉː/, /duː/, /d͡ʒ/
trots zijn pride /pɹaɪd/
klote zijn suck /sʊk/, /sʌk/
erbij zijn busted /ˈbʌstəd/
gek zijn op love /lʊv/, /lʌv/
gelijk zijn be /bi/, /biː/
gedaan zijn finish /ˈfɪnɪʃ/
genoeg zijn suffice /səˈfaɪs/
van af zijn get rid of
dol zijn op dote /dəʊt/
gepakt zijn busted /ˈbʌstəd/
anders zijn alterity
op zijn weg on one's way
gelegen zijn lie /laɪ̯/
ertegen zijn object /ˈɑb.d͡ʒɛkt/, /əbˈd͡ʒɛkt/, /ˈɒb.d͡ʒɛkt/
een zijn met flow /fləʊ/, /floʊ/
angstig zijn dismay /dɪsˈmeɪ/
schuldig zijn owe /əʊ/, /oʊ/
te horen zijn carry /ˈkɛ.ɹi/, /ˈkæ.ɹi/
ongerust zijn fret /fɹɛt/
aanwezig zijn attend /əˈtɛnd/
hangende zijn depend /dɪˈpɛnd/
van plan zijn intend /ɪnˈtɛnd/
op zijn hoede aware /əˈwɛə/, /əˈweːɹ/, /əˈwɛɚ/
afvallig zijn flake /fleɪk/
waar zijn we? where are we
zijn aan het + be /bi/, /biː/
voorradig zijn stock /stɑk/, /stɒk/
afgunstig zijn envy /ˈɛnvi/
onbeleefd zijn sauce /sɔːs/, /sɔs/
op zijn plaats in order
in de war zijn boggle /ˈbɑ.ɡəl/, /ˈbɒɡ.əl/
trouw zijn aan adherence
betrokken zijn enmesh
in zijn nopjes chuffed /ˈtʃʌft/
zeer rijk zijn abound in
gelijk zijn aan total /ˈtoʊ.təl/, /ˈtəʊ.təl/
belangrijk zijn matter /ˈmætɚ/, /ˈmætə/
van mening zijn find /faɪnd/
het oneens zijn disagree /dɪsəˈɡɹi/, /dɪsəˈɡɹiː/
voorhanden zijn availability [əˌveɪləˈbɪlɪtɪ]
ieder zijn ding to each his own
verwikkeld zijn enmesh
geneigd zijn om prone to
in staat zijn te be able to
vastbenoemd zijn tenure /ˈtɛn.jɚ/, /ˈtɛn.jʊə/
stomdronken zijn sodden /ˈsɒ.dən/, /ˈsɑ.dən/
verbijsterd zijn boggle /ˈbɑ.ɡəl/, /ˈbɒɡ.əl/
zijn mond houden clam up
uit zijn element out of sorts
op zijn paasbest dressed to the nines
zijn hoed opeten eat one's hat
over zijn toeren aboil /əˈbɔɪl/
bevriend zijn met friend /fɹɛnd/, /frɪnd/
op de hoogte zijn aware /əˈwɛə/, /əˈweːɹ/, /əˈwɛɚ/
met zijn tijd mee abreast /əˈbɹɛst/
van gisteren zijn be born yesterday
zijn tijd vooruit ahead of one's time
boven zijn niveau above one's paygrade
uitgerust zijn met bear /bɛəɹ/, /bɛə(ɹ)/, /bɑɹ/
dankbaar zijn voor appreciate /əˈpɹiː.ʃi.eɪt/
zijn biezen pakken abscond /əbˈskɑnd/, /əbˈskɒnd/
het niet eens zijn disagree /dɪsəˈɡɹi/, /dɪsəˈɡɹiː/
op zijn kop zetten upend /ʌpˈɛnd/
verstoken zijn van devoid /dɪˈvɔɪd/
afkomstig zijn van hail from
eén en al oor zijn be all ears
de rapen zijn gaar goose is cooked
enig in zijn soort sui generis /suˑ.i ˈɡɛnɛɹɪs/
een stap voor zijn get a leg up
zijn verdiende loon serve someone right
van mening zijn dat opine /ə(ʊ)ˈpaɪn/, /oʊˈpaɪn/
een vijs kwijt zijn have a screw loose
uniek in zijn soort one of a kind
het verdiept zijn in absorption /æbˈsɔɹp.ʃn̩/, /əbˈzɔːp.ʃn̩/
zich bewust zijn van awareness /əˈwɛənəs/, /əˈwɛɹnəs/
zeer productief zijn abound /əˈbaʊnd/
zijn plicht ontlopen shirk /ʃɪɾk/, /ʃɝk/, /ʃɜːk/
op zijn neus kijkend abashed /əˈbæʃt/
zijn woorden innemen eat one's words
recht voor zijn raap forthright /ˈfɔːθˌɹaɪt/
zijn opwachting maken appear /əˈpiɹ/, /əˈpɪə/, /əˈpiːɹ/
zijn ongenoegen uiten resent /ˌɹiːˈsɛnt/, /ɹiˈzɛnt/
van zijn stuk brengen abash /əˈbæʃ/
zijn tijd ver vooruit ahead of one's time
Wiktionary Links