zijn – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

zijn verb

  • 5. gelijk zijn aan.
  • 1. bestaan
  • 6. tot de groep behoren van
  • 3. zich bevinden.
be, exist
  • 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
  • 7. de eigenschap hebben.
have, be
  • 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
have, been, be
  • 8. + te: verplichting
  • 9. + te: mogelijkheid
be

zijn possessivePronoun

  • 1. derde persoon enkelvoud m/o
his
Wiktionary Links