Nederlands Polski
een jeden
een blauwtje lopen
  • 1. worden afgewezen door iemand die je amoureus benaderd hebt
dostać kosza
aan een touwtje hebben
  • 1. kunnen laten doen wat je wilt
wodzić za nos ˈvɔʥ̑iʥ̑ za‿ˈnɔs
van een mug een olifant maken robić z igły widły ˈrɔbʲiʥ̑ ˈz‿iɡwɨ ˈvʲidwɨ
van een muis een olifant maken robić z igły widły ˈrɔbʲiʥ̑ ˈz‿iɡwɨ ˈvʲidwɨ
één voor allen, allen voor één jeden za wszystkich, wszyscy za jednego
Rome is niet op één dag gebouwd nie od razu Kraków zbudowano ˌɲɛ‿ɔd‿ˈrazu ˈkrakuv ˌzbudɔˈvãnɔ
de mens is voor de mens een mens
  • 1. mensen zijn de belangrijkste vijanden van mensen
człowiek człowiekowi człowiekiem
een kat in de zak kopen
  • 1. iets kopen zonder te weten wat de koopwaar is
kupic kota w worku
kupować kota w worku
een gegeven paard niet in de bek kijken darowanemu koniowi nie zagląda się w zęby
Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd nie od razu Kraków zbudowano ˌɲɛ‿ɔd‿ˈrazu ˈkrakuv ˌzbudɔˈvãnɔ
beter één vogel in de hand dan tien in de lucht lepszy wróbel w garści niż gołąb na dachu ˈlɛpʃɨ ˈvrubɛl ˈv‿ɡarʲɕʨ̑i ˈɲiʒ ˈɡɔwɔ̃mp na‿ˈdaxu
een gegeven paard moet men niet in de bek kijken darowanemu koniowi w zęby się nie zagląda ˌdarɔvãˈnɛ̃mu kɔ̃ˈɲɔvʲi ˈv‿zɛ̃mbɨ‿ɕɛ ˌɲɛ‿zaˈɡlɔ̃nda
zulk een taki ˈtaci
een eed afleggen przysięgać pʃɨˈɕɛ̃ŋɡaʨ̑
de een na de ander jeden za drugim
Wiktionary Links