Nederlands Polski
het to
in het buitenland za granicą ˌza‿ɡrãˈɲiʦ̑ɔ̃w̃
wie het laatst lacht, lacht het best
  • degene die aan het eind het beste uit de strijd komt is de daadwerkelijke winnaar
ten się śmieje, kto się śmieje ostatni
Joost mag het weten
  • 1.
Bóg jeden wie
op het matje roepen
  • 3. (van een ambassadeur) laten komen om een kritiek op beleid van zijn regering over te brengen
wzywać ˈvzɨvaʨ̑
naamwoordelijk deel van het gezegde orzecznik ɔˈʒɛʧ̑ʲɲik
in het land der blinden is eenoog koning
  • 1.
w kraju ślepców jednooki jest królem
het kind met het badwater weggooien wylewać dziecko z kąpielą
het kan me niets schelen
  • 1. het kan me niets schelen
to mnie nie obchodzi
het is niet alles goud wat er blinkt nie wszystko złoto, co się świeci ɲɛ‿ˈfʃɨstkɔ ˈzwɔtɔ ˈʦ̑ɔ‿ɕɛ ˈɕfʲjɛ̇ʨ̑i
het ijzer smeden terwijl het nog heet is kuć żelazo, póki gorące ˈkuʥ̑ ʒɛˈlazɔ ˈpuci ɡɔˈrɔ̃nʦ̑ɛ
uit het oog, uit het hart co z oczu, to z serca ˈʦ̑ɔ ˈz‿ɔʧ̑u ˈtɔ ˈs‿ːɛrʦ̑a
de kop in het zand steken chować głowę w piasek ˈxɔvaʥ̑ ˈɡwɔvɛ ˈf‿pʲjasɛk
het doel heiligt de middelen cel uświęca środki ˈʦ̑ɛl uɕˈfʲjɛ̃nʦ̑a ˈɕrɔtʲci
wie leeft bij het zwaard, zal sterven bij het zwaard kto mieczem wojuje, (ten) od miecza ginie ˈktɔ ˈmʲjɛʧ̑ɛ̃m vɔˈjüjɛ ˈtɛ̃n ɔd‿ˈmʲjɛʧ̑a ˈɟĩɲɛ
Wiktionary Links