Nederlands Polski
zijn
  • 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
  • 3. zich bevinden.
  • 5. gelijk zijn aan.
  • 6. tot de groep behoren van
  • 7. de eigenschap hebben.
  • 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
  • 1. bestaan
być bɨʨ̑
zijn
  • 1. derde persoon enkelvoud m/o
jego
swój
kan zijn być może
verliefd zijn kochać ˈkɔxaʨ̑
verantwoordelijk zijn op odpowiadać ˌɔtpɔˈvʲjadaʨ̑
in nood leert men zijn vrienden kennen prawdziwych przyjaciół poznaje się w biedzie pravʲˈʥ̑ivɨx pʃɨˈjäʨ̑uw pɔˈznajɛ‿ɕɛ ˈv‿bʲjɛ̇ʥ̑ɛ
Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd nie od razu Kraków zbudowano ˌɲɛ‿ɔd‿ˈrazu ˈkrakuv ˌzbudɔˈvãnɔ
Wiktionary Links