Beleg – Deutsch–Nederlands translations

🇩🇪 de nl 🇳🇱

Beleg noun {m}

Beleg, Belege   /bəˈleːk/
  • allgemein: ein Beweis, ein Nachweis
bewijs

belegen verb

belege, belegte, habe belegt   /bəˈleːɡn̩/
  • einen Platz, Rang belegen: einen Platz, Rang einnehmen
reserveren, retenir
  • etwas belegen: den Beweis für etwas erbringen
aantonen, bewijzen, verantwoorden
  • etwas belegen: etwas auf etwas legen
bedekken, sieren
  • etwas belegen: etwas mit etwas versehen
slaan

🇳🇱 nl de 🇩🇪

beleg noun

  /bəˈlɛx/
  • 1. langdurige uitsluiting van de buitenwereld door een vijandige strijdmacht
Belagerung
  • 2. voedzame en smakelijke bedekking van een boterham
Belag
  • 3. afgewerkte tegenkant van naaiwerk
Besatz
Wiktionary Links