Tag – Deutsch–Nederlands translations
🇩🇪 de nl 🇳🇱
Tag noun {m}
Tag, Tage
/taːk/
|
|
|---|---|
|
dag, etmaal |
|
dag |
tagen verb
tage, tagte, habe getagt
/ˈtaːɡn̩/
,
/ˈtaːɡŋ̩/
|
|
|---|---|
|
vergaderen |
- am Sankt-Nimmerleins-Tag
- met sint-juttemis, met sint-juttemis, als de kalveren op het ijs dansen
- man soll den Tag nicht vor dem Abend loben
- de huid niet verkopen voor de beer geschoten is
- Tag der Deutschen Einheit
- Dag van de Duitse eenheid
- wenn Ostern und Pfingsten auf einen Tag fallen
- als Pasen en Pinksteren op één dag vallen
- bis zum Sankt-Nimmerleins-Tag
- tot sint-juttemis
- Tag der Arbeit
- Dag van de Arbeid
- wenn Ostern und Weihnachten auf einen Tag fallen
- als Pasen en Pinksteren op één dag vallen
- Tag für Tag
- dag in dag uit
- Tag und Nacht
- dag en nacht