afvallen – Deutsch–Nederlands translations

🇳🇱 nl de 🇩🇪

afvallen verb

  / ˈɑfɑlə(n) /
  • 3. ontrouw worden aan zijn geloof
  • 2. de koers van een schip in de richting van de lijzijde wijzigen
abfallen
  • 1. gewicht verliezen.
abnehmen
  • 4. vallen vanaf een hoger gelegen plek
abfallen, fallen
  • 5. niet meer meetellen
ausscheiden
Wiktionary Links