haar – Deutsch–Nederlands translations

🇳🇱 nl de 🇩🇪

haar noun

  • 1.1 hoofdhaar, uitgroeisel van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
Haar

haar possessivePronoun

  • 1. bezit aanduidend door een 3e persoon vrouwelijk enkelvoud
ihr, ihre

haar personalPronoun

  • 2. datief van zij, derde persoon enkelvoud
ihr
  • 1. accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
sie

🇩🇪 de nl 🇳🇱

Haar noun {n}

Haar, Haare   /haːɐ̯/
  • Hornfäden, die auf dem Körper von Menschen und Säugetieren wachsen
  • kein Plural: Gesamtheit der Kopfhaare
  • Botanik, meist Plural: haarartige Gebilde an Pflanzenteilen
haar

haaren verb

haare, haarte, habe gehaart   /ˈhaːʁən/
  • Haare verlieren
afwerpen
Wiktionary Links