noch – Deutsch–Nederlands translations
🇩🇪 de nl 🇳🇱
noch adverb
/nɔx/
|
|
|---|---|
|
nog, nog steeds |
|
nog |
- weder … noch
- noch
- immer noch
- nog
- weder noch
- evenmin
- eine Schwalbe macht noch keinen Sommer
- één zwaluw maakt nog geen zomer
- noch grün hinter den Ohren sein
- nog groen achter de oren zijn, nog nat achter de oren zijn, nog niet droog achter de oren zijn
- noch in den Kinderschuhen stecken
- nog in de kinderschoenen staan
- noch ist Polen nicht verloren
- nog is Polen niet verloren, nog is niet alles verloren
- nur noch ein Schatten seiner selbst sein
- nog slechts een schaduw van zichzelf zijn
- weder Tod noch Teufel fürchten
- voor de duivel niet bang zijn
🇳🇱 nl de 🇩🇪
noch conjunction |
|
|---|---|
| noch | |