verbinden – Deutsch–Nederlands translations

🇳🇱 nl de 🇩🇪

verbinden verb

  • 2. met iets of iemand contact maken via de telefoonlijn
verbinden
  • 1. twee of meer onderdelen aan elkaar vastmaken
verbinden, anschlieβen
  • 3. behandelen door het aanbrengen van verband
verbinden, bandagieren

🇩🇪 de nl 🇳🇱

verbinden verb

verbinde, verband, habe verbunden   /fɛɐ̯ˈbɪndn̩/
  • zu einem Gefüge vereinen oder in eine enge Beziehung bringen
  • einen Anrufer am Telefon zu einem Gesprächspartner weiterleiten
verbinden
Wiktionary Links