vol – Deutsch–Nederlands translations
🇳🇱 nl de 🇩🇪
vol adjective
/vɔl/
,
/vɔɫ/
|
|
|---|---|
|
voll |
- vol vertrouwen
- zuversichtlich
- zijn buik vol hebben
- die Faxen dicke haben
- vol tranen
- tränenreich
- vol van smaak
- vollmundig
- de handen vol hebben
- alle Hände voll zu tun haben
- met de mond vol tanden staan
- jemandem verschlägt es die Sprache
- de maat is vol
- das Maß ist voll
- iemand niet voor vol aanzien
- jemanden nicht für voll nehmen
Wiktionary Links
- Nederlands: vol