🇳🇱 nl de 🇩🇪

voor preposition

  /vor/
  • eerder in tijd
vor, bevor
  • ten behoeve van, ten gunste van
für
  • dichterbij dan (gezien vanaf de spreker of anderszins)
vor

voor noun

  /vor/
  • (landbouw) lange, smalle en ondiepe insnijding in een akker, gewoonlijk door een ploeg aangebracht
Furche

🇳🇱 nl de 🇩🇪

zet noun

  /zɛt/
  • (spel) een handeling gedurende een spelbeurt
Zug
  • een beweging waarbij iets verplaatst wordt, een duw of stoot
Stoß
Wiktionary Links