absent – English–Nederlands translations

🇬🇧 en nl 🇳🇱

absent adjective

  /ˈæb.sn̩t/
  • being away from a place
afwezig, absent, weg
  • inattentive
afwezig, dromerig, elders met zijn gedachten, verstrooid
  • not existing
afwezig, niet meer voorhanden, ontbrekend, tekort

absent verb

  /æbˈsɛnt/
afwezig, vertrekken, verwijderen, zijn
  • to withhold from being present
niet opdagen, wegblijven van, zich absenteren

absent preposition

  /ˈæb.sn̩t/
  • without
behalve, in afwezigheid van, uitgezonderd, zonder

absentation noun

  /ˌæb.sənˈteɪ.ʃn̩/ , /ˌæb.sɛnˈteɪ.ʃn̩/
  • act of absenting oneself
aanwezigheidsverzuim

🇳🇱 nl en 🇬🇧

absent adjective

  /ɑp'sɛnt/
absent
Wiktionary Links