deeltijd – English–Nederlands translations

🇳🇱 nl en 🇬🇧

deel noun

  /ˈdeːl/
  • 1. een afsplitsing van een geheel
  • 2. één uit een reeks
part

deel-

sub-

🇳🇱 nl en 🇬🇧

tijd noun

  /tɛit/ , /tɛɪ̯d/ , /tɛːt/
  • 1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
time, period
Wiktionary Links