get – English–Nederlands translations

🇬🇧 en nl 🇳🇱

get verb

  /ɡet/ , /ɡɛt/ , /ɡɪt/
krijgen, verkrijgen
  • to become
  • colloquial: to be
worden
  • to fetch
halen
  • to obtain
halen, nemen, pakken
  • to cause to do
laten, doen
  • colloquial: to understand
begrijpen, snappen, verstaan
  • to take, catch (transportation)
nemen
  • to arrive at
aankomen
  • to cause to become
maken
  • to become ill with
ziek worden

getting noun

  /ˈɡɛtɪŋ/
  • act of obtaining or acquiring
aanwinst

🇳🇱 nl en 🇬🇧

get noun

  /ɡɛt/ , /ɣɛt/
  • 2. schriftelijke verklaring aan de vrouw waarmee de man een Joods huwelijk ontbindt
get
Wiktionary Links