intermittentie – English–Nederlands translations

🇬🇧 en nl 🇳🇱

intermittent adjective

  /ˌɪntəˈmɪtn̩t/ , /ˌɪntɚˈmɪtn̩t/
  • stopping and starting at intervals
fluctuerend, intermitterend, met tussenpozen, wederkerend

intermittently adverb

  /ɪn.tərˈmɪt.ənt.lɪ/
  • Stopping or starting at intervals
af en aan, met onderbrekingen, met tussenpozen

intermittency noun

  • the state of being intermittent
intermittentie

🇬🇧 en nl 🇳🇱

-ie suffix

  /-i/ , /-iː/
  • forming diminutive nouns or names
-etje, -je, -kje, -pje, -tje, -ie
Wiktionary Links