🇳🇱 nl fr 🇫🇷
maken verb
/ˈmaːkən/
|
|
|---|---|
| faire | |
- koud maken
- trucider
- van een mug een olifant maken
- faire d’une mouche un éléphant
- aanstalten maken
- se mettre en demeure
- zachte heelmeesters maken stinkende wonden
- aux grand maux, les grands remèdes, bon mire fait plaie puante, main de médecin trop piteux rend le mal souvent trop chancreux
- God een vlassen baard maken
- faire barbe de paille à Dieu
- gewoon maken
- habituer
- bot maken
- adoucir
- zeilklaar maken
- parer
- neerslachtig maken
- abattre
Wiktionary Links
- Nederlands: maken