zijn – Français–Nederlands translations

🇳🇱 nl fr 🇫🇷

zijn verb

  • 5. gelijk zijn aan.
  • 3. zich bevinden.
  • 6. tot de groep behoren van
  • 11. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van de lijdende vorm
être
  • 7. de eigenschap hebben.
être, avoir
  • 1. bestaan
avoir, y, être
  • 10. zijn + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd van ergatieven
été, être

zijn possessivePronoun

  • 1. derde persoon enkelvoud m/o
son, sa
Wiktionary Links