🇩🇪 de nl 🇳🇱
auf adverb
/aʊ̯f/
|
|
|---|---|
|
open |
auf preposition
/aʊ̯f/
|
|
|---|---|
| op | |
- auf Wiedersehen
- tot ziens
- wenn die Katze aus dem Haus ist, tanzen die Mäuse auf dem Tisch
- als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel, als de kat van honk is, dansen de muizen in het schotelhuis, als de kat van honk is, dansen de muizen op tafel
- auf Nimmerwiedersehen
- ooit, voor eens en voor altijd, voorgoed, weer, zien, zonder
- den Nagel auf den Kopf treffen
- de spijker op de kop slaan
- die Hosen auf halbmast tragen
- hoogwater
- im Hinblick auf
- t.o.v., ten opzichte van
- alles auf eine Karte setzen
- alles op één kaart zetten
- etwas auf der Pfanne haben
- in petto hebben
- auf Grund laufen
- stranden