halten – Deutsch–Nederlands translations
🇩🇪 de nl 🇳🇱
halten verb
halte, hielt, habe gehalten
/ˈhaltn̩/
|
|
|---|---|
|
houden, vasthouden |
|
houden |
- Ausschau halten
- blik
- das Maul halten
- je bek houden, je muil houden
- die Klappe halten
- bek dicht, zijn mond houden
- instand halten
- in stand houden, verzorgen
- die Fresse halten
- bek dicht, bek houden, kop dicht, muil houden
- jemandem die Stange halten
- achter iemand blijven staan, achter iemand staan, iemand de hand boven het hoofd houden
- das Heft in der Hand halten
- het heft in handen houden
- in Schach halten
- iemand onder de duim houden
- eine Standpauke halten
- iemand een standje geven